Logo Universiteit Utrecht

Early Years blog

Early Years blog

Handen die kluitjes aarde en ontkiemende plantjes vasthouden.

Blog

Woordenschat met een gouden bijvangst

Annet Appelman, schakelleerkracht Taal bij een scholengroep in de Kop van Noord-Holland, vertelt hoe ze verbinding maakt met kinderen die de taal nog niet of onvoldoende machtig zijn en licht een tipje van de sluier over onderzoek dat ze gaat doen.

Annet Appelman, woonachtig in de Kop van Noord-Holland, is al twintig jaar leerkracht in het primair onderwijs. Acht jaar geleden begon ze als schakelleerkracht. In deze functie is Annet de schakel tussen de school en de thuissituatie. Ze ondersteunt een diverse groep leerlingen die ‘taalzwak’ zijn. De kinderen in de klas van Annet zijn afkomstig uit groep 1 of groep 2. Sommige leerlingen hebben Nederlands als moedertaal. Bij andere leerlingen wordt thuis een andere taal gesproken, of ze worden tweetalig opgevoed.

 

Wanneer is een kind taalzwak?

“Er is geen algemeen geaccepteerde definitie van het begrip ‘taalzwakke leerling’. Doorgaans duiden we met deze term op leerlingen die in mondelinge en/of schriftelijke taalvaardigheid achterblijven ten opzichte van het niveau dat van hen verwacht wordt, gezien hun leeftijd (leerjaar) en opleidingsniveau.Oorzaken voor dit achterblijven kunnen gelegen zijn in de leerling zelf of in de omstandigheden waarin hij verkeert of heeft verkeerd.” (Bron = www.slo.nl).

Een dag in het leven van Annet

Annet begeleidt elke dag een andere groep van maximaal acht leerlingen die van verschillende scholen komen. Gedurende de dag houdt ze het normale ritme van een kleuterklas aan. Het grote verschil is dat de leerlingen de hele dag worden ondergedompeld in taal. Het belangrijkste doel is de groei van de passieve woordenschat, waarbij Annet ook af en toe gesprekken probeert te ontlokken.

Tijdens de dag komen diverse activiteiten aan bod, gekoppeld aan thema’s die op school behandeld worden en aan de inbreng van kinderen zelf. Met een combinatie van een veilige omgeving en afwisselende activiteiten, probeert Annet juist de kinderen die normaal wat minder makkelijk meekomen erbij te houden. Doordat het een kleine groep is, is er meer ruimte om op de belevingswereld van de kinderen zelf in te spelen.

De aandacht voor het individu blijkt ook duidelijk uit de manier waarop ze haar lokaal heeft ingericht. De kinderen krijgen les op een aparte locatie, dus niet op hun eigen school. Het is eigenlijk een beetje alsof je bij haar thuis op bezoek bent en in de huiskamer les krijgt. Het is de bedoeling dat ze de vrijheid voelen om zichzelf te zijn. De strikte structuur van een regulier klaslokaal – met een klok en dagritmekaartjes – wordt hier even losgelaten.

Naast een enorme uitbreiding van het woordennetwerk van de kinderen, zien Annet en de leerkrachten van groep één en twee dat de individuele benadering ervoor zorgt dat leerlingen eerder durven te praten en zich meer laten zien, ook buiten de schakelgroep. Annet noemt dit zelf ‘woordenschat met een gouden bijvangst’.

 “Ze zijn vrijer en vinden het niet gek dat ze het soms ook niet helemaal weten. Hun woordenschat vergroot, maar de achterstand (…) is natuurlijk niet ingelopen in één of twee jaar.”

Ouderbetrokkenheid

Om de ontwikkeling van de kinderen te ondersteunen, steekt Annet in de eerste weken van het jaar veel moeite in het opbouwen van een goede basis. Hierbij draait het vooral om contacten met het kind en het gezin. Ouders worden meegenomen in het proces en hen wordt gevraagd naar hun eigen taal en cultuur.

“In lang niet alle culturen worden kinderen thuis voorgelezen. Ook met je kinderen spelen, of een spelletje doen, is lang niet altijd gebruikelijk.”

De korte lijnen tussen ouders en leerkracht zijn een belangrijk onderdeel van de schakelgroep. Tegelijkertijd is dit ook de grootste uitdaging. ‘Je bent keihard aan het werk om de woordenschat te vergroten in de klas. Op de eigen school zijn ze er keihard mee aan het werk. Maar gemiste kansen blijven als er thuis niet ook goed bij stilgestaan wordt.’

Huisbezoeken, gesprekken met ouders, voorproefjes van de volgende lessen, lesverslagen en gezamenlijke bijeenkomsten worden ingezet om het hele gezin actief te betrekken. ‘Maar het blijft lastig om niet belerend over te komen.’ Dit komt vooral omdat Annet de taal van de ouders meestal niet spreekt en de ouders de Nederlandse taal soms nog niet helemaal machtig zijn. Het taal- en begripsniveau van de ouders kan hierdoor lastig in te schatten zijn.

De invloed van het gezin

Tijdens de huisbezoeken en voorlichtingsbijeenkomsten ziet Annet dat het lang niet overal normaal is voor te lezen, te spelen met je kind, een spelletje te spelen of thuis nog iets aan school te doen. Onderzoek laat zien dat er een relatie lijkt te zijn tussen het economische milieu waar kinderen in opgroeien en de hoeveelheid en soort taal waar ze aan blootgesteld worden [1]. Annet merkt op dat mensen die in het onderwijs werken een opleiding hebben genoten. ‘Onderwijs is eigenlijk best een ‘elitaire’ omgeving. Onderwijsprofessionals zijn zich dit mijns inziens lang niet altijd bewust.’

De cultuur in de klas kan dus heel anders zijn dan de cultuur die een kind van huis uit gewend is. ‘In heel veel culturen is het bijvoorbeeld niet gebruikelijk om iemand aan te kijken. Dan denk ik, Ja, je bent in Nederland, maar je kan het ook een keer omdraaien en denken Oké, het is prima als je mij alleen een knikje geeft.’

Tips van Annet

Tijdens het gesprek, heeft Annet enkele tips gegeven over goede begeleiding geven aan en verbinding maken met kinderen die de Nederlandse taal nog niet machtig zijn:

  1. Betrek de thuistaal. Wees je bewust van de ontwikkeling van een moedertaal, doe daar navraag naar en geef aandacht aan die taal:
    1. Laat kinderen ook in hun taal af en toe iets overleggen. Daar win je veel meer mee dan door te zeggen “Nee, op school praten we Nederlands”;
    2. Vraag hulp (van ouders) over hoe je dit het beste kan doen.
  2. Ga wat meer mee met de flow van de kinderen:
    1. Hou rekening met de eigen interesses van de kinderen als je thema’s kiest. Als het programma niet loopt zoals je wil dat het loopt, kijk dan wat kinderen zelf willen. Waar liggen interesses van deze kinderen?
    2. Thema’s passen niet altijd bij de belevingswereld van een kind. Wees je bewust van de cultuur en belevingswereld van kinderen bij het kiezen van de thema’s en van de woorden die zij moeten leren;
    3. Maak je niet te veel zorgen om de gewone zelfstandig naamwoorden, want die leren de kinderen wel. Zet in op schooltaalwoorden, ook bij kleuters.
  3. Soms is minder ook oké:
    1. Soms worden er heel veel opdrachten en knutsels aangeboden, waar wel heel veel taal omheen zit. Bedenk je dan wel of die veelheid nodig is om ook de basiswoorden aan te leren. Soms is het zinvoller te leren van ‘het echte leven’.
    2. Kinderen kunnen prima meedoen met de thema’s, waarbij zij misschien niet alle themawoorden meekrijgen, maar wel de door jou uitgekozen basiswoorden en schooltaalwoorden.

“Als je echt wilt dat kinderen aan de bak gaan, dat hun vuur wordt aangewakkerd en blijft branden, is een persoonlijke benadering nodig.”

De stap naar onderzoek

Met al deze kennis en ervaring in haar achterzak is Annet zich aan het oriënteren op een promotietraject. Dat betekent dat ze onderzoek gaat doen bij een universiteit. Er zijn namelijk heel veel initiatieven in schakelgroepen om taalachterstanden weg te werken. De meeste schakelgroepen werken met zeer gestructureerde methodes. De manier van lesgeven die Annet hanteert lijkt nog geen wetenschappelijke basis te hebben: ‘Het zal misschien wel gebeuren, maar het is nog niet onderzocht.’ Uiteindelijk wil Annet de resultaten van dit onderzoek gaan toepassen in haar eigen schakelgroep, maar ook in andere schakelgroepen in Nederland. Wellicht kunnen jullie in de toekomst het onderzoek van Annet ook op de Early Years Blog lezen!

“Een methode volgen van A tot Z, zo’n leerkracht ben ik gewoon niet. Dan gaat mijn vuur niet branden.”

 

[1] Golinkoff, R. M., Hoff, E., Rowe, M. L., Tamis‐LeMonda, C. S., & Hirsh‐Pasek, K. (2019). Language matters: Denying the existence of the 30‐million‐word gap has serious consequences. Child development90(3), 985-992.